maandag 13 mei 2013

The Place Beyond the Pines (2012) – 8.5/10

Ryan Gosling weet ze goed uit te zoeken. Zowat elke productie waarin hij te zien is, wordt een succes. Hij werkt ook graag met dezelfde regisseurs. Zo maakte hij al eerder een film met Cianfrance, getiteld Blue Valentine, en hij zet ook zijn samenwerking voort met Refn (Drive) in zijn nieuwe project Only God Forgives. In The Place Beyond the Pines speelt nog zo'n acteur met gouden handjes: Bradley Cooper. Zowel The Hangover als Silver Linings Playbook zijn een groot succes. The Place... is een 140 minuten durend drieluik over vaders en zoons, verantwoordelijkheid, ambitie, spijt, rechtvaardigheid en identiteit.

Het eerste verhaal gaat over Luke (Gosling), een motorrijder die op de kermis zijn stunts laat zien. Hij zit onder de tatoeages, draagt zijn kapotte shirts binnenstebuiten en heeft altijd een sigaret aan z'n lip hangen. Wanneer hij weer na een jaar in het stadje Schenectady arriveert, verschijnt Romina (Eva Mendes) weer in zijn leven en hij komt erachter dat ze een kindje van hem heeft. Ze woont ondertussen samen met een andere man (Mahershala Ali), maar Luke voelt zich toch verantwoordelijk om voor Romina en de baby te zorgen. Hij heeft door dat het werken bij de kermis niet voldoende oplevert. Tijdens een motorritje in de bossen ontmoet hij Robin (Ben Mendelsohn), waarmee hij een vriendschap sluit en hem op het idee brengt om banken te gaan beroven. En dat doet hij totdat hij gepakt wordt door Avery Cross (Bradley Cooper), een jonge agent die net in dienst is.

Na een duizelingwekkende plot-twist die we sinds Psycho niet meer hebben gezien, begint het verhaal van Avery. Hij wordt door de media en zijn collega bestempeld als held, maar hij heeft er duidelijk moeite mee. Wanneer zijn collega's ineens voor de deur staan begint het gedonder. Zij peperen hem in dat hij een held is en hebben iets leuks voor hem in petto. De spanning aan de eettafel is om te snijden, ondanks dat er hard gelachen wordt. Ray Liotta heeft weinig moeite om (weer) in de rol van corrupte agent te kruipen en Rose Byrne speelt hier prachtig genuanceerd als Jennifer, Avery's vrouw. Avery is vastberaden om goed te doen, met het oog op zijn jonge zoontje, en wil het groepje corrupte collega's erbij lappen, met de hulp van zijn vader. Hier zien we een mooie narratieve parallel met de personages Luke en Robin uit het eerste bedrijf. Echter, Avery schopt het verder dan Luke en we zien hem vijftien jaar later als rijke officier van justitie.

Avery's zoon AJ (Emory Cohen) is nu een tiener en een echt rijkeluis zoontje. Hij heeft nooit ergens moeite voor hoeven doen en is de onverschilligheid zelve. Op school ontmoet hij Jason (Dane DeHaan), de zoon van Luke en Romina. De twee raken bevriend en werken zich al snel in de nesten met drugs. Jason worstelt met zijn identiteit en voelt zich niet thuis in het gezin. Hij blijft vragen stellen over zijn biologische vader, maar moeder Romina wil hem niets vertellen. Hij besluit uiteindelijk zelf op onderzoek uit te gaan. Dit derde en laatste bedrijf is de 'mindere' van de drie, maar heeft een realistisch einde, zonder onnodig melodrama. Het is wel genieten geblazen, want de twee jonge acteurs spelen subliem. DeHaan heeft al eerder een getroebleerde tiener gespeeld (Chronicle) en de onbekende Cohen maakt indruk als de onhandelbare zoon in de schaduw van zijn vader.

The Place Beyond the Pines is een knap staaltje werk van regisseur Derek Cianfrance en hij laat zien dat hij zowel het verhaal als zijn acteurs prima onder controle heeft. Hij weet wanneer hij ingetogen moet zijn en wanneer hij voluit moet gaan. De présence van Gosling is hypnotiserend en Cooper maakt weer indruk door zijn veelzijdigheid als acteur. Het verhaal is episch en meeslepend en heeft net die nodige diepgang om zich te onderscheiden van andere misdaaddrama's. Het is nu alleen nog wachten op het daadwerkelijke meesterwerk van Cianfrance.

zaterdag 11 mei 2013

Iron Man 3 (2013) – 7/10

De meest succesvolle Marvel-trilogie is compleet: Iron Man 3 is er in IMAX 3D en is een spektakel van begin tot eind. Eiffel 65's Blue (Da Ba Dee) klinkt over de begintitels; bij de Iron Man-films is er nooit gebrek aan zelfspot geweest. Regisseur Jon Favreau, die ook de trouwe bodyguard Happy Hogan speelt, geeft het stokje na de twee vorige films door aan Shane Black, die eerder al samenwerkte met Robert Downey Jr. aan Kiss Kiss Bang Bang (2005), en vooral bekend is geworden als schrijver van de Lethal Weapon-films. Black heeft dus verstand van actie-komedie.

'RDJ' kruipt natuurlijk weer in de huid van Tony Stark en doet dit nog steeds met zijn natuurlijke charme. Stark is de briljante man die te veel met zijn hobby bezig is en zijn vriendin Pepper Potts (Gwyneth Paltrow) verwaarloost. Je vergeeft het hem, omdat hij toch elke keer weer tot inkeer komt, als een intelligente Homer Simpson. Natuurlijk is er geen superheld zonder schurk. Guy Pearce mag weer eens onder de make-up en speelt Aldrich Killian, een briljante wetenschapper die de uitvinder is van een virus dat ledematen weer terug kan laten groeien. Dan is er nog een schurk, een terrorist, genaamd The Mandarin (Ben Kingsley, die we niet zo Brits meer hebben horen spreken sinds Sexy Beast), die samen met Killian schijnt te werken. Er duikt ook nog een dame op uit Tony's verleden: Maya Hansen, gespeeld door Rebecca Hall, die voor het eerst in een film speelt met een gigantisch budget.

Hoe al deze personages zich tot elkaar verhouden is nu net het aardige aan de film. De plot-twists zijn leuk gevonden en geven de actiefilm net even wat meer spanning. Ook met de humor zit het wel goed. Zowel in de dialogen als in de slapstick. Zo is het metalen pak meerdere keren het doelwit van goed getimede visuele humor. Shane Black geeft de Iron Man-reeks een frisse wind, nadat deze in het tweede deel een beetje ingekakt was. Black weet donders goed dat er geen Iron Man zonder RDJ is, en hij haalt dan ook alles uit de kast om de acteur zo veel mogelijk screen time te geven, waardoor Don Cheadle het dit keer moet doen  met een bijrol als Iron Patriot. Black weet ook als geen ander dat de CGI dik in orde moet zijn. De 985 (!) mensen van het visual effects team mogen een staande ovatie krijgen, want de effecten zijn verbluffend. De rollende aftiteling vult het volledige scherm voor een aantal seconden met alle namen. Ga deze film zien in IMAX 3D zolang het nog kan, met een grote bak popcorn, waardoor deze film helemaal tot zijn recht komt.

dinsdag 7 mei 2013

Jack Reacher (2012) – 5/10

Jack Reacher is inmiddels al de zoveelste egostreling van Tom Cruise, dat het onderhand gênant begint te worden. Hij speelt de titelrol in deze met actie overgoten film. Ja, natuurlijk brengt hij het er zonder al te veel kleerscheuren vanaf! Zijn vorige succes Mission: Impossible - Ghost Protocol was verrassend vermakelijk en had een goede dosis zelfspot en charme. De toon van Jack Reacher is een stuk serieuzer, afgezien van één toonbrekende slapstick sequens met Jack Reacher, een stel slechteriken, een trap en een badkuip. Cruise is de onoverwinnelijke held van de film die elke boef een kopje kleiner maakt.

Heeft Reacher een motivatie voor zijn heldhaftige daden? Natuurlijk. De film opent met een redelijk schokkende sequens van een scherpschutter die ogenschijnlijk willekeurig vijf mensen doodschiet. De verkeerde man, James Barr, wordt opgepakt en dat blijkt een bekende van Jack te zijn. Hij neemt contact op met rechercheur Emerson (David Oyelowo) die het onderzoek leidt en helpt advocate Helen Rodin (Rosamund Pike) om de onschuld van Barr te gaan bewijzen. Dan is er ook nog een Russische gang, onder leiding van 'The Zec' (een beklemmende rol van regisseur Werner Herzog), die Jack uit de weg wil ruimen.

Uiteindelijk komt het erop neer dat de enige vrouw in het verhaal door de Russen gekidnapt wordt. Jack gaat haar redden met de hulp van een ex-marinier, gespeeld door filmveteraan Robert Duvall. De spanning wordt weggenomen, omdat je weet dat Tom Cruise uiteindelijk het meisje gaat redden en alle slechteriken uit de weg ruimt. Daarbij heeft hij niet die mysterieuze, gebroken, ruwe uitstraling van een ex-militair die volgens zijn eigen wetten leeft. Het is voor een actiefilm belangrijk dat de held van het verhaal overtuigend overkomt. Regisseur Christopher McQuarrie en Tom Cruise zullen waarschijnlijk weer samen gaan werken aan Mission: Impossible 5. Wie weet gaan ze nog een stapje verder dan de vorige en wordt het een leuke parodie op de narcistische actieacteur.

maandag 6 mei 2013

The Last Stand (2013) – 4.5/10

Schwarzenegger is sinds 10 jaar weer te zien in een hoofdrol. Tijdens zijn jaren als 'Governator' heeft hij wat geschnabbeld bij wanproducties van en met 'concurrent' Stallone. The Last Stand is het Hollywood-debuut van Koreaan Jee-woon Kim. Toen in het begin van de jaren '00 de Aziatische horrorfilm hoogtijdagen vierde, en Hollywood hopeloos achterliep door deze films te remaken, kwam hij in 2003 met A Tale of Two Sisters; een horrorfilm met een Sixth Sense-achtige twist. Aziatische filmmakers hebben het geprobeerd om hun Aziatische succes nog eens over te doen in Hollywood, zoals de Japanner Hideo Nakata tevergeefs heeft geprobeerd met The Ring Two. Kim komt nu geen horror maken, maar heeft nu de touwtjes in handen bij deze nieuwe actie-komedie. Het genre is hem niet vreemd, blijkens de film The Good, the Bad, the Weird (2008). I Saw the Devil (2010) was een succes, waar Kim een misantropische, cynische kant van zichzelf liet zien, wat een gedurfde, maar tegelijkertijd lelijke film opleverde. Als er gekeken wordt naar de verkoop van de bioscoopkaartjes dan heeft het peperdure The Last Stand maar net de helft van zijn budget van 65 miljoen dollar opgebracht.

De naam Schwarzenegger is door de jaren heen een handelsmerk geworden voor keiharde actiefilms met cheesy oneliners. Arnie speelt sheriff Ray Owens van Sommerton Junction in de woestijn van Arizona, net langs de Mexicaanse grens. De ligging van het gat is uiteraard van belang voor de plot. Drugsbaron Cortez (Eduardo Noriega) ontsnapt tijdens een overplaatsing naar een andere gevangenis (hoe krijg je anders een gevaarlijke crimineel weer op de voet?) en wil met zijn opgevoerde Corvette de grens over, natuurlijk door het plaatsje waar de sheriff nèt een dagje met verlof is. Zijn deputy's zijn een zooitje ongeregeld, met een typecast van Luis Guzmán. Ondertussen heeft de FBI onder leiding van agent John Bannister (Forrest Whitaker) een klopjacht op de voortvluchtige georganiseerd. Bij een afleidingsmanoeuvre van Cortez, waarbij hij zijn handlangers in oranje pakken laat rondrennen, zodat hij zelf in zijn oranje gevangenispak kan ontsnappen, vangt de FBI een man met een KNVB-jack; ook Kim schijnt Guus Hiddink nog steeds niet te zijn vergeten.

Een goede actie-komedie staat of valt bij een goede samensmelting van de twee genres. Deze film weet niet goed wat hij moet zijn. Er zit genoeg actie in, maar de komedie is niet goed doordacht. Het is niet dat het tenenkrommend is, maar erg grappig wordt het nooit. Het zorgt ervoor dat de film op beide vlakken uit de toon valt. Zo is de komedie tijdens de keiharde actie erg misplaatst en krijgt het rauwe geweld een exploitatieve ondertoon. Daarbij lijken de scenes met de FBI enerzijds en de scenes in Summerton anderzijds in twee verschillende universa te bestaan. Kim krijgt het maar niet gerijmd. Daarbij acteert Schwarzenegger op zijn houterigst en ziet er vermoeid uit. Jackass Johnny Knoxville toont zich een volwassen acteur, maar zijn rol is gebaseerd op matige slapstick en voegt weinig toe.

Doordat er zo vaak wordt gewisseld van toon, vormt de film een onsamenhangend geheel van matige komedie, houterige actie en een oersaaie ontknoping. "You make us immigrants look bad," zegt de sheriff tegen de Mexicaanse drugsbaron tijdens hun eindgevecht. Verwijst Schwarzenegger hier naar zijn eigen oorsprong als Oostenrijker? 'Ray Owens' is nu niet echt de meest vreemde naam. 'Misplaatst' is hier het sleutelwoord: Kim en Hollywood gaan niet samen, Knoxville is nutteloos en Whitaker is van een zwaarder kaliber dan de rest van de acteurs. De film mist de charme en het plezier van een echte actie-komedie. Kijk nog maar eens naar Lethal Weapon en je begrijpt wat ik bedoel.

woensdag 17 april 2013

Deerhunter - Monomania (2013) – 8/10

Het distortion pedaal wordt gretig ingetrapt op Monomania (4AD, 2013). De noise geeft de zang van Bradford Cox een scherpe rand op elk nummer van Deerhunters nieuwe album. De muziek is duidelijk beïnvloed door de garage- en bluesrock en is een paar stappen verwijderd van de ingetogen, onbevangen en dromerige voorganger Halcyon Digest (4AD, 2010). Het is toch weer duidelijk Cox' kindje en dat is prima, want de man heeft genoeg inspiratie; zijn monomanie schijnt een grote rol bij het schrijven van dit album te hebben gespeeld.

Het meest verknipte nummer is misschien wel Dream Captain (een woordspeling op team captain?). Cox fantaseert dat hij een arme jongen is die door een kapitein onder zijn hoede wordt genomen aan boord van een schip. Hij zingt: "I'm a poor boy from a poor family," dat misschien een verwijzing naar Bohemian Rhapsody kan zijn, maar zeker weten doe je het nooit. Het nummer is homo-romantisch ("I'm a boy-man, and you're a man-man!"), catchy en melig, maar is, net als de rest van Deerhunters muziek, altijd oprecht. Ook Pensacola is een heerlijk bluesrock nummer met in het eerste couplet "Take me wherever you go and I won't complain along the way". Het heeft iets naïefs en avontuurlijks van een jonge man op reis, vluchtend van zijn wereld, en iets vertederends ("I could be your boyfriend or I could be your shade"). De tweekwartsmaat zorgt voor het hakkende tempo en door de scheurende gitaren wordt het geheel niet te zoetsappig.

The Missing is het meest 'indie' nummer van de plaat en is dromerig. Het is het enige nummer op het album dat door gitarist Lockett Pundt wordt gezongen. De gitaarpartij op het eind is eenvoudig, maar melancholisch en doeltreffend. Het zijn steeds deze simpele vondsten die Deerhunter net niet uit de bocht doen laten vliegen in hun experimenten. Ze weten een perfecte balans te creëren tussen het maken van conventionele, degelijke songs en het experimenteren met verschillende genres. Sleepwalking is hier nog zo'n mooi voorbeeld van, waarbij de band conventies toepast, maar deze zo goed onder de knie heeft, dat je niks anders kan dan er gelukkig van worden. "Can't you see, your heart is hard now / Can't you see we're growing apart now" klinkt als een standaard tekst, maar is nu net de climax van het nummer en heerlijk aanstekelijk.

Het titelnummer Monomania is noiserock van het puurste soort. De distortion staat vol open en het rockt als een gek. "Monomonomania, monomonomania" blijft Cox herhalen als een bezetene, terwijl het nummer volledig ontaardt in het gekraak en gepiep van de feedback om te eindigen in het ratelende geluid van een brommer. Het is niet het meest geslaagde nummer, maar zorgt wel voor contrast ten opzichte van de rest.

Het nieuwe project van Deerhunter is bijzonder geslaagd en de band weet hun eindeloze inspiratie goed vorm te geven in sterke songs die niet alleen catchy zijn, maar ook genre-ontstijgend. De band stelt stiekem toch een heel arsenaal aan stijlen ten toon en weet nergens op het album te vervelen. Ze zijn bijzonder vaardig in het hanteren van conventionele songstructuren en daar hun eigen geluid aan toe te voegen. Maar het is vooral de openhartigheid en het plezier bij het maken van muziek dat deze plaat zo sterk maakt.

dinsdag 16 april 2013

Bonobo - The North Borders (2013) – 6/10

Bonobo (Simon Green) is een sterke speler uit het team van Ninja Tune. Sinds 2003 is hij al bij het label aangesloten, maar hij maakte in 2010 pas echt naam met zijn album Black Sands (Ninja Tune, 2010) en verwierf daarmee (terecht) zijn roem. Het album wist te verrassen door de jazz-invloeden en de gelaagde, smetteloze productie. Op de productie valt op The North Borders (Ninja Tune, 2013) weer weinig aan te merken, maar Bonobo speelt dit keer op safe. Het concept is hetzelfde: fijne, loungy downtempo tracks met af en toe een gastzanger(es). De verrassingen en de inventiviteit blijven helaas achterwege.

Het album begint met First Fires met zanger Grey Reverend. Bonobo weet zijn zangers goed uit te kiezen, want zijn stem, hoewel niet bijzonder, past perfect bij het rustige tempo en de dromerige sfeer van het nummer. De diepe bas komt je tegemoet, waar verschillende fladderende synths en een viool overheen klinken. Jammer is wel dat door de vele lagen in de muziek er gekozen is voor een net iets te hoge compressie ten gunste van de kickdrum, wat een erg zuigend effect creëert. Gelukkig is dit op de rest van het album minder het geval. De tweede track, Emkay, is meer uptempo en bevat ook vocalen, maar ze zijn abstracte flarden van zinnen à la Burial. Op de achtergrond is zachtjes een saxofoon te horen. De beat is helaas te statisch om het echt jazzy te noemen. Cirrus is de eerste instrumentale track en heeft een kick op elke tel van de vierkwartsmaat en heeft meer house-invloeden. De melodie komt van een marimba en enkele bellen, maar weet nergens te overtuigen en raakt al gauw in de vergetelheid.

Grammy-winnares Erykah Badu zingt op Heaven For The Sinner en is daarmee de belangrijkste toevoeging aan het album. Haar zang smelt samen met het volle geluid van (alweer) violen en warme synths. Het nummer mist echter een goed refrein, waardoor het nergens heengaat. Dit is een beetje de tendens van het hele album; de muziek kabbelt maar voort en er is nergens een hoogtepunt te ontdekken. De instrumentale tracks hebben te weinig om het lijf en hebben meer weg van vocal tracks zonder vocals; ze missen een eigenheid binnen het album. Ook de strakke housebeats van Don't Wait en Antenna dragen niet veel bij aan de originaliteit en hebben veel weg van de stijl van Scuba op zijn laatste album Personality (Hotflush, 2012). Het doet je erg verlangen naar de syncopische, jazzy drums en het algehele opgewekte geluid van Black Sands. 

Eerlijkheidshalve moet ik bekennen dat luisteren naar Bonobo op automatische piloot geen straf is. The North Borders is prima geschikt voor als je ouders op bezoek komen of voor die zwoele zomeravond met je vrienden in de tuin. Vrijblijvend, geen verrassingen, maar toch een aardig plaatje.

zaterdag 13 april 2013

The Knife - Shaking The Habitual (2013) – 6.5/10

De hoes van Shaking The Habitual springt meteen in het oog door de felle contrasten en het minimalistische design; een stuk anders dan de voorganger Silent Shout. Ook schrijven ze "The Kniφe", met de Griekse letter Phi – edgy! Niet alleen het artwork verschilt, want muzikaal zijn broer en zus Dreijer ook een andere weg ingeslagen. De muziek is uitgesmeerd over twee cd's of drie lp's. Op de achterkant van de hoes staat een aantal tracks die zo rond de 10 minuten duren (zelfs een van 19 minuten!). Als we niet beter wisten, dan hadden we hier te maken met een typisch gevalletje pretentie. Dit is slechts deels waar.

Opener A Tooth For An Eye steekt van wal met gelaagde percussie, waarbij een strakke beat, die we gewend waren van Silent Shout, afwezig blijft. De zang van Karin Dreijer is er een die onlosmakelijk verbonden is met het geluid van The Knife. Ze klinkt hier zelfs nu nog rustelozer dan voorheen. Dit wordt nog eens versterkt door de maat in 6/8. Dit is een geweldige eerste track met een nieuw geluid. Het algemene geluid van Shaking is veelal distorted, waarbij de voorganger vooral heel klinisch geproduceerd was. Het is tijd voor een statement, want we leven in een economische crisis! Aha! Vandaar dus die gierig uitziende man op de hoes met dat geld in zijn hand.

Full Of Fire, de tweede track, is een stuk strakker, met een heerlijke distortion op de baslijn, maar de lange track ontaardt helaas in vervelende synth-geluidjes, die je de volumeknop een stuk omlaag laten draaien. A Cherry On Top is de eerste ambient track. De klanken van de snaarinstrumenten klinken verontrustend over de electronische drones. Dit is dan meteen ook de meest geslaagde 'experimentele' track. Without You My Life Would Be Boring is weer percussie-georiënteerd en heeft het herkenbare nasale stemgeluid van Karin. Opvallend is de fluitachtige synthesizer. Wrap Your Arms Around Me is een undustrial klinkende ballad met ingehouden zang, sfeervol, maar doet vrij weinig. Na een korte 55 seconden van onnodig irritant gepiep en gekraak, Crake, is daar dan de overlange afsluiter van de eerste cd: het 19 minuten en 2 seconden durende Old Dreams Waiting To Be Realized. De track heeft iets weg van de drones van Natural Snow Buildings, maar is oersaai en kent geen spanningsbogen. Met maken van drones is niet The Knife's sterkste kant. Het wordt zo heel verleidelijk om de cd vóór Crake af te zetten en cd 2 uit de hoes te halen.

De tweede cd begint met Raging Lung, zwaar leunend op tribal-achtige drums. De ballad heeft een refrein dat fijn in het gehoor ligt, wat op dit album schaars is. De tweede helft van de track maakt plaats voor industriële geluiden over de lopende drumbeat. De geluiden doen denken aan de soundtrack van vroege David Lynch films. Networking heeft een acid beat, maar mist een fijne baslijn en is weer doorspekt met vervelende, atonale analoge geluiden. Helaas gaat ook hier de volumeknop weer even naar beneden. De meest noemenswaardige track van de tweede cd en de meest geslaagde van het album is Stay Out Here, een ruim 10 minuten durende track met twee gastzangeressen: Shannon Funchess (Light Asylum) en Emily Roysdon. De 4/4 acid beat is de basis van het nummer waarover een vernuftig ontworpen distorted industrial synthesizer klinkt die improviserend gemoduleerd wordt tijdens de duur van de track. De bijdrage van de zangeressen geven het nummer meer diepgang en de nodige afwisseling. Ze klinken allen verontrustend en paranoïde. Er wordt naar een climax gewerkt waarbij de synth voor de aanleiding zorgt en de zangeressen het afmaken met hun stemkunsten. De cd kan na deze track weer worden afgezet, want de snerpende geluiden met getimede delay van Fracking Fluid Injection werken op de zenuwen en Ready To Lose is een track met een shuffle beat die niet veel meer te bieden heeft na deze enorme lange luisterbeurt.

Shaking The Habitual is een album met enkele hoogtepunten en een aantal dieptepunten. De lange, saaie ambient tracks eisen te veel aandacht op en voelen aan als vulmateriaal. De klinische, beheerste sound van Silent Shout is verdwenen, waarmee The Knife ook de balans tussen originaliteit en degelijke nummers verliest. Op Shaking gaan alle remmen los en halen broer en zus Dreijer alles uit de kast wat ze na al die jaren op de plank hebben laten liggen. De ideeën zijn aardig, maar dragen niet bij aan een coherent geheel. Uit noodzaak is al het materiaal over 2 cd's verdeeld, wat ze afzonderlijk geen eigen identiteit meegeeft. Het project is dapper, en wellicht noodzakelijk voor henzelf, maar het eindproduct is te versnipperd. The Knife heeft gekozen voor een benadering waarbij muzikaal alles mogelijk is. Hun ambigue statement over de hedendaagse economie en muziek in het algemeen is op deze manier niet gestructureerd en verliest zo de urgentie.