Posts tonen met het label 8/10. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 8/10. Alle posts tonen

woensdag 17 april 2013

Deerhunter - Monomania (2013) – 8/10

Het distortion pedaal wordt gretig ingetrapt op Monomania (4AD, 2013). De noise geeft de zang van Bradford Cox een scherpe rand op elk nummer van Deerhunters nieuwe album. De muziek is duidelijk beïnvloed door de garage- en bluesrock en is een paar stappen verwijderd van de ingetogen, onbevangen en dromerige voorganger Halcyon Digest (4AD, 2010). Het is toch weer duidelijk Cox' kindje en dat is prima, want de man heeft genoeg inspiratie; zijn monomanie schijnt een grote rol bij het schrijven van dit album te hebben gespeeld.

Het meest verknipte nummer is misschien wel Dream Captain (een woordspeling op team captain?). Cox fantaseert dat hij een arme jongen is die door een kapitein onder zijn hoede wordt genomen aan boord van een schip. Hij zingt: "I'm a poor boy from a poor family," dat misschien een verwijzing naar Bohemian Rhapsody kan zijn, maar zeker weten doe je het nooit. Het nummer is homo-romantisch ("I'm a boy-man, and you're a man-man!"), catchy en melig, maar is, net als de rest van Deerhunters muziek, altijd oprecht. Ook Pensacola is een heerlijk bluesrock nummer met in het eerste couplet "Take me wherever you go and I won't complain along the way". Het heeft iets naïefs en avontuurlijks van een jonge man op reis, vluchtend van zijn wereld, en iets vertederends ("I could be your boyfriend or I could be your shade"). De tweekwartsmaat zorgt voor het hakkende tempo en door de scheurende gitaren wordt het geheel niet te zoetsappig.

The Missing is het meest 'indie' nummer van de plaat en is dromerig. Het is het enige nummer op het album dat door gitarist Lockett Pundt wordt gezongen. De gitaarpartij op het eind is eenvoudig, maar melancholisch en doeltreffend. Het zijn steeds deze simpele vondsten die Deerhunter net niet uit de bocht doen laten vliegen in hun experimenten. Ze weten een perfecte balans te creëren tussen het maken van conventionele, degelijke songs en het experimenteren met verschillende genres. Sleepwalking is hier nog zo'n mooi voorbeeld van, waarbij de band conventies toepast, maar deze zo goed onder de knie heeft, dat je niks anders kan dan er gelukkig van worden. "Can't you see, your heart is hard now / Can't you see we're growing apart now" klinkt als een standaard tekst, maar is nu net de climax van het nummer en heerlijk aanstekelijk.

Het titelnummer Monomania is noiserock van het puurste soort. De distortion staat vol open en het rockt als een gek. "Monomonomania, monomonomania" blijft Cox herhalen als een bezetene, terwijl het nummer volledig ontaardt in het gekraak en gepiep van de feedback om te eindigen in het ratelende geluid van een brommer. Het is niet het meest geslaagde nummer, maar zorgt wel voor contrast ten opzichte van de rest.

Het nieuwe project van Deerhunter is bijzonder geslaagd en de band weet hun eindeloze inspiratie goed vorm te geven in sterke songs die niet alleen catchy zijn, maar ook genre-ontstijgend. De band stelt stiekem toch een heel arsenaal aan stijlen ten toon en weet nergens op het album te vervelen. Ze zijn bijzonder vaardig in het hanteren van conventionele songstructuren en daar hun eigen geluid aan toe te voegen. Maar het is vooral de openhartigheid en het plezier bij het maken van muziek dat deze plaat zo sterk maakt.

maandag 7 januari 2013

Burial - Truant (2012) – 8/10

Geknisper, gekraak, getik, gerommel, gekras, gekling, geklang en flarden zang; Burial komt weer met nieuwe muziek. En hoe! Na zijn echte doorbrak met zijn tweede album Untrue is het steeds bergopwaarts gegaan voor William Bevan (als dat immers zijn echte naam is – er hangt altijd veel geheimzinnigheid rond Burial). Een nieuw album laat lang op zich wachten, maar hij is nu al toe aan zijn derde EP, genaamd Truant, en blijft wederom weer trouw aan het label Hyperdub van Kode9. Deze drie 'zoethoudertjes' staan prima op zichzelf en Truant is daarop geen uitzondering.

Met Truant geeft Burial weer een stukje meer prijs, maar laat de luisteraar wederom gissen naar zijn identiteit. Was hij een spijbelaar (truant)? Is hij nog steeds opstandig en heeft hij maling aan de gevestigde orde? Misschien vertelt hij wel een van de duizenden sombere verhalen uit Londen. Als je naar de muziek van Burial luistert, hoor en voel je de somberheid en de duisternis van de Engelse hoofdstad. Alsof je met je gezicht op het grauwe asfalt ligt en Burial je de schoonheid ervan toont. Op de nieuwe EP staan twee van die ruwe diamanten: de titeltrack en Rough Sleeper, elk ver boven de 10 minuten durend. Burial maakt niet echt 'liedjes' meer, maar meer lang uitgesponnen werken, waar de nadruk nog meer op de sfeer ligt dan voorheen.

De basis van Burial is nog steeds die van de garage en house en de gruizigheid is wederom veelvuldig aanwezig, met flarden van zang die contrasteren met de korreligheid van de rest van de muziek. De tekst "I fell in love with you" van het titelnummer zou in elke andere context banaal overkomen, maar bij Burial klinkt het oprecht en gestript van elke suikerlaag. De bas speelt een prominente rol in deze track en het is werkelijk heerlijk wanneer deze halverwege dieper gaat dan je had durven hopen.

De twee tracks zijn als taxiritten in de nacht door de achterwijken van Londen; je krijgt maar een vlaag mee van wat er gebeurt en heeft alles behalve een climax. De tracks zijn versnipperd in hun interne samenhang, maar geven je in ruil daarvoor verrassingen en impressies. Zo klinkt er in Rough Sleeper het geluid van een saxofoon, een instrument dat nooit eerder te horen was in het oeuvre van Burial. Het mooie van Burial is, is dat hij als geen ander zijn huisstijl weet te bewaren en toch nog ruimte over te laten voor vernieuwing. De tweede track is de melodieuze verrassing van de twee en klinkt melancholisch. De melodie is eenvoudig, maar zeer geslaagd en dat draagt bij aan de charme van Burial. Zo geeft vooral deze laatste track niet meteen alle geheimen prijs en bij de derde luisterbeurt besef je weer dat Burial de enige in zijn soort is.

zaterdag 3 november 2012

Heavenly Creatures (1994) – 8/10

Voordat Peter Jackson een van de succesvolste filmreeksen aller tijden maakte (The Lord of the Rings trilogie), was hij in de jaren '80 en '90 al flink aan de weg aan het timmeren om een gerespecteerd filmmaker te worden. Hij filmt het liefst in zijn thuisland Nieuw-Zeeland en Heavenly Creatures is dan ook geen uitzondering. Jackson heeft in zijn films altijd een hang naar het duistere, het macabere. Begin jaren '50 werd het stadje Christchurch opgeschrikt door een gruwelijke moord, gepleegd door de tienermeisjes Pauline Parker en Juliet Hulme. Het slachtoffer betrof de moeder van Pauline, Honora Parker Rieper, en was door de meisjes tienvoudige malen met een steen op haar hoofd geslagen. Wat kan deze jonge meisjes gedreven hebben om zo'n daad te begaan? Genoeg materiaal om een film van te maken, dacht Jackson.

De film had maar liefst twee debuterende actrices: Melanie Lynskey en Kate Winslet. Lynskey is (helaas) het meest bekend geworden als de stalkende buurvrouw Rose uit Two and a Half Men, en het succesverhaal van Winslet mag door de jaren heen duidelijk zijn geworden. Het acteerwerk van beide dames in deze film is werkelijk fenomenaal. Dit des te meer omdat het twee uitermate uitdagende rollen zijn van twee meisjes die een intens hechte vriendschap hadden. Pauline is een braaf meisje dat uit een liefdevol gezin komt. Ze is ontzettend creatief: ze maakt figuurtjes van klei van de koninklijke familie en laat ze spelen in haar fantasieverhalen. Juliet komt met haar familie uit Engeland naar Nieuw-Zeeland en komt uit een liberaal gezin, is welbespraakt en een tikje ondeugend, tot groot ongenoegen van de leraressen van de stijve meisjesschool. Pauline raakt onder de indruk van Juliet en de twee worden al gauw dikke vriendinnen. Ze zwijmelen weg bij de muziek van Italiaanse zangers en vereren hun favoriete filmsterren. Ze ontsnappen de saaie wereld van hun school en duffe ouders en spelen in hun fantasiewereld leden van de koninklijke familie waarbij Pauline's kleifiguurtjes tot leven komen. Jackson toont zich hier weer een meester in practical special effects. Jackson heeft altijd al een liefde gehad voor handgemaakte poppen en monsters; zijn live-action special effects zijn een handelsmerk geworden. Meet the Feebles (1989) is een soort Muppets on acid en Braindead (1992) is een over-the-top horror-komedie.

Door juist hun fantasiewereld te laten zien, worden de personages vele malen interessanter en maakt de beleving van hun vriendschap des te intenser. De realiteit wordt hierdoor ook intenser beleefd en de kijker begrijpt de pijn veel beter wanneer de meisjes elkaar een lange tijd niet mogen zien wanneer Juliet tuberculose krijgt en in quarantaine moet. De ouders van Juliet laten de schaduwzijde van hun liberale leven zien door tijdens haar ziektebed doodleuk op vakantie te gaan. Pauline en Juliet komen deze moeilijke tijd door, door elkaar brieven te schrijven in een langdurig rollenspel, waarbij ze elk de identiteit van een koninklijk familielid aannemen. Het weerzien is euforisch en hun ouders maken zich steeds meer zorgen om de hechte vriendschap. Vader Hulme gaat naar de ouders van Pauline om zijn zorgen te uiten over de volgens hem ongezonde verstandhouding van hun dochters. Het ondenkbare zou toch niet waar zijn? De psychiater van Pauline heeft dan ook grote moeite het woord 'homoseksualiteit' uit te spreken als hij haar moeder informeert dat dit slechts een fase is en dat het wel weer over gaat. Jackson weet slim hier en daar de film van humor te voorzien. Juliet Hulme, die nu door het leven gaat als Anne Perry en bovendien een succesvol schrijfster is, heeft altijd gezegd dat hun vriendschap wel obsederend, maar niet lesbisch geaard was.

Moeder Rieper (de ouders waren niet getrouwd) gaat Pauline steeds meer tegenstaan, helemaal wanneer ze met een jongen wordt betrapt en steeds opstandiger begint te worden. Pauline begint steeds meer een hekel aan haar te krijgen en ziet haar als het grootste obstakel dat haar vriendschap met Juliet in de weg staat. Ze besluit samen met Juliet een plan te maken om moeder uit de weg te ruimen. Met de wetenschap dat deze scène eraan gaat komen, wordt het extra spannend als de dag aanbreekt waarop het gaat gebeuren. Jackson weet als geen ander de spanning op te voeren om uiteindelijk te leiden tot de gruwelijke climax; Jackson is niet vies van een beetje bloed. Niet alleen spanning en tempo is Jackson gegeven, maar ook zijn geweldige camerawerk. Hij staat erom bekend veel verschillende schots van zijn scènes te maken, waardoor ze erg levendig worden; het beeld is altijd in beweging.

Jackson weet hier een uitzonderlijke gevoeligheid voor zijn personages te creëren die in zijn latere films nooit zo fijn en kleinschalig meer worden. The Return of the King (2003) neigt erg naar melodrama en The Lovely Bones (2009) is een half geslaagde film die weinig subtiel is. De geslaagde emotionele gelaagdheid in Heavenly Creatures is grotendeels te danken aan de twee hoofdrolspeelsters die als debuterend actrices een verbluffende prestatie neerzetten. Het is te hopen dat Jackson nog eens zo'n fijne, kleine film maakt, maar met nog drie Hobbit-films en een vervolg op Kuifje voor de boeg, zal dat voorlopig niet gebeuren.

zondag 22 juli 2012

The Dark Knight Rises (2012) – 8/10

Een nieuwe film van Christopher Nolan is niet zomaar iets. De man heeft sinds Memento alleen maar kwaliteit geleverd voor het mainstream publiek. Het is te hopen dat zijn volgende film niet aan zoveel tragiek is gekoppeld. Bij The Dark Knight was het de dood van Heath Ledger en nu, bij The Dark Knight Rises, is het publiek slachtoffer geworden van "The Joker", zoals de dader zichzelf noemt. Veel aandacht in de pers gaat naar de gebeurtenis rondom de nieuwste Batmanfilm, terwijl de film zelf zich prima kan meten met de voorganger. Dit is een film met de kwaliteit die we van Nolan mogen verwachten.

The Dark Knight Rises speelt zich acht jaar na het vorige verhaal af. Bruce Wayne (Christian Bale) heeft zijn dubbelleven als Batman opgegeven en leidt nu het leven van een kluizenaar. Maar hij moet zijn pak weer afstoffen, want er is een nieuwe schurk in aantocht: Bane (Tom Hardy). Hij is van een ander kaliber dan The Joker. Hij stond voor chaos en zijn doelen waren onduidelijk. Bane is een intelligente terrorist die Gotham City wil vernietigen. Tom Hardy zet een ontzettend knappe prestatie neer van een schurk die fysiek angstaanjagend is en intimiderend intellectueel is. Aangezien Bane gemaskerd is, zit het meeste acteerwerk in de ogen en de lichaamstaal. Niet alleen Hardy, die ruim 13 kilo aankwam, maar ook de regie is te prijzen, omdat Bane overkomt alsof hij Batman zo in tweeën kan breken, terwijl de fysiek sterke Bale toch vijf centimeter groter is dan Hardy. De rol van schurk is Hardy wel gegeven. In de mini-serie The Take liet hij al zien dat hij een complexe psychopaat kan spelen. Een acteur om in de gaten te houden, dus.

Naast Bane wordt er nog een personage uit de canon geïntroduceerd: Catwoman (Anne Hathaway). Door Michelle Pfeiffer werd zij in Batman Returns als katachtig neergezet, terwijl Hathaway in deze film niet veel ome mee te werken krijgt. Het personage voelt niet helemaal af en heeft geen duidelijke plaats in het verhaal. Rasacteurs Gary Oldman, Morgan Freeman en Michael Caine keren wederom terug in dit deel en vooral de laatstgenoemde weet mooi diepte te geven aan de butler Alfred. Dan is er nog het personage van de zakenvrouw Miranda, gespeeld door een wat twijfelachtige Marion Cotillard, die later een grotere rol in het verhaal heeft dan ze doet vermoeden. Nolan heeft na zijn meesterwerk Inception naast Hardy, Caine en Cotillard nog een acteur teruggevraagd om in zijn nieuwste film te spelen: Joseph Gordon-Levitt in de rol van Blake, een snuggere agent die opklimt tot rechercheur en Batman helpt met het stoppen van Bane.

De film kent ook nu weer een karrenvracht aan personages. Het is Nolan goed gelukt om ze allemaal een plaats te geven, maar hij weet ze niet altijd even goed uit te werken. De vrouwelijke rollen trekken hierbij aan het kortste eind. Dit zijn echter maar een aantal minpuntjes van een verder uitstekende film die je aandacht de volle 164 minuten weet vast te houden. Dit voelt als een waardig, episch slot van een trilogie waarbij het bestaan van Gotham City nu echt geloofwaardig aan een zijden draadje hangt. De wereld van Nolan's Batman is een grauwe, realistische wereld die de kijker ook daadwerkelijk engageert, een gegeven dat in veel films over superhelden voor lief wordt genomen. Nolan had natuurlijk een gigantisch budget om mee te werken, maar hij weet hier uitstekend gebruik van te maken. Het gebruik van CGI in deze film is subtiel en de actiescènes zijn bijzonder knap in beeld gebracht. Een film als deze heeft geen (negatieve) publiciteit eromheen nodig; de film staat prima op zichzelf en is een genot om te zien, ook voor kijkers die niet zo van superhelden houden (onder wie ondergetekende). Kijken in de bios, dus,  in prachtig 2D.

dinsdag 17 juli 2012

Papillion (1973) – 8/10

Papillion is gebaseerd op de bestseller van Henri Charrière, de man die naar eigen zeggen onterecht werd veroordeeld voor de moord op een pooier en jarenlang gevangen zat in Frans-Guyana, een Frans overzees departement dat grenst aan Suriname en Brazilië. Tijdens zijn gevangenschap heeft hij meerdere malen geprobeerd te ontsnappen, dat resulteerde in een langere straf. De gebeurtenissen in gelijknamige "autobiografie" kunnen gerust met een korreltje zout worden genomen, maar ze zijn interessant materiaal om er een film over te maken. Charrière was zelf ook betrokken bij het maken van de film. De regie was in handen van Franklin J. Schaffner, die daarvoor verantwoordelijk was voor Planet of the Apes en Patton en na Papillion nog The Boys from Brazil zou maken. Steve McQueen speelt Charrière, die de bijnaam Papillion draagt, wegens de getatoeëerde vlinder op zijn borst. Dustin Hoffman is zijn tegenspeler en hij vertolkt de rol van Louis Dega, een valsemunter met wie hij in gevangenschap bevriend raakt. De twee sluiten al vrij vroeg een verbond waarbij Dega geld verschaft voor het omkopen van het gevangenispersoneel in ruil voor bescherming door Papillion.

Met McQueen en Hoffman heeft de film twee bijzonder sterke acteurs. McQueen zet een sterke Papillion neer die ondanks de onmenselijke toestanden in de gevangenis niet klein te krijgen is. De scènes waarin hij twee jaar lang in een isoleercel zit wegens een gefaalde ontsnappingspoging zijn claustrofobisch en het vereist een goed acteur om de geestelijke en lichamelijke marteling geloofwaardig neer te zetten. Dit is overigens een van de sterkste sequensen in de film met twee mooi geregisseerde droomscènes. Wanneer de twee jaar voorbij zijn is Papillion gesloopt, maar wanneer hij weer opknapt plant hij met Dega alweer een nieuwe ontsnappingspoging. Ontsnappen is vrijwel onmogelijk zonder geld, waarvan je middels goede contacten aan een boot kunt komen. De tweede poging brengt hem verder en hij brengt enige tijd door met een stam, wat mooie maar vrij idyllische scènes oplevert. Hij wordt later door een stel nonnen verraden aan de Franse autoriteiten en is hij weer terug bij af. Vijf jaar isolatie dit keer waarna hij naar een eilandje wordt gestuurd om daar zijn laatste jaren te slijten in een hutje. Daar komt hij Dega weer tegen die inmiddels van het padje af is en tegen zijn varkens praat. Papillion is oud en grijs, maar nog steeds vastberaden om te ontsnappen en als vrij man te leven. Hij maakt een vlot en springt van de rotsen af, de oceaan in en laat zich door de stroming meevoeren naar Venezuela. Hij heeft de laatste jaren van zijn leven daar als vrij man geleefd.

Papillion is het verhaal van een echte doorzetter. Een man die ondanks alles een doel voor ogen heeft en zijn leven vrij wil leven. Zoals in een van zijn dromen duidelijk wordt is zijn ergste misdaad een vergooid leven. Hij doet er alles aan om te ontsnappen en om iets van zijn leven te maken, in tegenstelling tot Dega die zich al vrij snel heeft neergelegd bij zijn gevangenschap. De film is qua opzet eenvoudig, maar weet toch de volle tweeënhalf uur te boeien. Dit komt door de twee sterke prestaties van McQueen en Hoffman en de variatie aan locaties waar het verhaal zich afspeelt. Het is boeiend om iemand een schijnbaar onmogelijke taak te zien uitvoeren. Mensen zijn altijd geïntrigeerd door gevangenissen en het ontsnappen hieruit. Escape from Alcatraz is hier nog zo'n mooi voorbeeld van. De beste film aller tijden volgens de bezoekers van IMDb is tevens een gevangenisfilm.

De film komt uit 1973 maar kent weinig tekenen van ouderdom. Het is nu nog steeds een mooie film om te zien door de goede cinematografie en sterke acteerprestaties. Sterker nog, de film kent een scène met een krokodil en de acteurs McQueen en Hoffman die hier wel heel dichtbij komen. Een scène die vandaag de dag niet op deze manier, zonder special effects en snelle montage, geschoten zou worden. Papillion is een solide avonturenfilm en een inspirerend personage.

woensdag 11 juli 2012

For a Few Dollars More (1965) – 8/10

Een jaar na de uitgave van A Fistful of Dollars kwam Leone al op de proppen met een volgende film: For a Few Dollars More, de tweede in de Dollars- of The Man With No Name-trilogie. Het hoofdpersonage wordt in elke film wel genoemd met telkens een andere naam, dit keer Monco. Door deze film is ook weer een ongegrijpelijke rechtzaak aangespannen door de productiemaatschappij van A Fistful of Dollars, die een claim maakte op het personage Joe. Zij hebben dit verloren aangezien de rechter vond dat het personage van folkloristische aard is, en dus publiek domein. Joe en Monco zijn dus niet hetzelfde personage. Eigenlijk is dit vrij onbelangrijk aangezien Eastwood niet bekend staat om zijn transformaties en het personage in de film niet groeit, waardoor we niets van hem te weten komen; hij is slechts een voorbijganger. In deze film nog meer dan in de voorganger. Het verhaal heeft nu meer om het lijf en nu wordt het duidelijker dat The Man With No Name op zich geen interessant personage is.

De naam Clint Eastwood verschijnt als eerste in de opening credits, maar het is zijn tegenspeler Lee Van Cleef die in deze film de show steelt. Hij is tevens een doorgewinterde acteur in dit genre. De plot draait om hem en zijn intenties worden duidelijk aan het eind van de film. Monco heeft buiten de dollars die hem toekomen geen reden om smerige klusjes op te knappen. Dit keer is hij een premiejager die tuig opspoort voor de plaatselijke sheriff aan de hand van de overbekende wanted-posters die het stadsbeeld tekenen. Van Cleef's personage, Col. Douglas Mortimer, is bovendien een premiejager en al snel komen ze erachter dat ze beide achter de bandiet El Indio aanzitten. Dit leidt uiteindelijk tot een samenwerking. De slechterik wordt dit keer weer gespeeld door Gian Maria Volonté. Hij voldoet precies aan het stereotype van een schurk: hij doodt onschuldige mensen, lacht hysterisch en rookt zijn sigaret tussen zijn middel- en ringvinger. Het theatrale spel van de acteur verschaft het personage dan ook weinig diepgang.

For a Few Dollars More is duidelijk met een groter budget gefilmd en dat is te zien. De locaties zijn grootschaliger, er is een legio aan figuranten opgetrommeld en de special effects zien er vakkundig uit. De stemmen en geluidseffecten zijn weer naderhand toegevoegd en dit is te merken, maar niet storend. De muziek van Morricone is ook hier weer van de partij en van hoge kwaliteit, al blijft het hoofdthema niet zo goed hangen als bij de voorganger. De film is mooi om te zien en er is duidelijk te zien dat Leone is gegroeid als regisseur. Geef de man een groter budget en hij maakt prachtige shots van de omgeving en de interieurs waar duidelijk veel aandacht is besteed aan de belichting. Ook heeft hij gekozen voor meer actie, wat het tempo van de film wat verhoogt, maar ten koste gaat van de broeierigheid die A Fistful of Dollars zo kenmerkte. Er wordt overigens nog steeds veel naar elkaar gestaard, gepaard met extreme close-ups van gezichten, een handelsmerk dat Leone zich eigen heeft gemaakt.

Concluderend is dit een waardige opvolger van A Fistful of Dollars. Qua verhaal en personages heeft het niets met de voorganger te maken, maar de stijl is hetzelfde; een echte spaghetti western van de bovenste plank.