maandag 21 oktober 2013

Gravity (2013) – 9/10

De hype rond Alfonso Cuaróns nieuwe film Gravity was gigantisch. Met name de openingsscène, die aan één stuk geschoten is, kreeg alle lof. Het is het handelsmerk van regisseur Cuarón geworden, die in zijn vorige film Children of Men hetzelfde deed: lange shots, geen montage. Het is een ogenschijnlijk onmogelijke taak, die veel van de acteurs en crew vereist. Eerlijk is eerlijk, Gravity zit vol met CGI, die dit lange shot een stuk gemakkelijker hebben gemaakt. De geloofwaardigheid van de film staat of valt met het gebruik van goede CGI, en dat weten Cuarón en zijn crew donders goed. Maar wàt een geweldige CGI! Vanaf de eerste scène ben je verkocht. Je begeeft je in de ruimte, die akelig donker en onmenselijk gigantisch is. Als je vroeger altijd al astronaut wilde worden, dan ben je bij dezen voor altijd genezen.

De geweldige special effects hebben geen betekenis zonder een stel sterke acteurs. George Clooney speelt Matt Kowalski en hij acteert op de automatische piloot, waar niet over te klagen valt. Het is Sandra Bullock die met Ryan Stone van begin tot eind een kwetsbaar, maar bijzonder sterk personage neerzet. Zij is de gedoodverfde heldin van dit ruimteavontuur. Wanneer zij met Kowalski losraakt van haar ruimtestation, dat vernietigd wordt door rondvliegend puin, moeten ze samen zien te overleven in de ruimte, met een schaarse hoeveelheid brand- en zuurstof.

De plot is doodeenvoudig: overleven en als de sodemieter terug naar de aarde. De overlevingsdrang van Stone is het belangrijkste thema van deze film en ze wordt dan ook de gehele tijd op de proef gesteld, waardoor ze zowel lichamelijk als geestelijk moet knokken. Haar reis is emotioneel en roept zulke basale oergevoelens op dat je als kijker wel mee móet. Het verhaal wordt verteld middels het motief van de geboorte – in Children of Men letterlijk, in Gravity symbolisch. Stones wedergeboorte begint wanneer zij voor het eerst een ander ruimtestation binnenkomt, snakkend naar zuurstof, waarna ze haar ruimtepak voor het eerst uittrekt. Al zwevend in de afwezigheid van de zwaartekracht keert haar lichaam zich in een foetushouding, waarbij een kabel dient als visuele navelstreng tegen de achtergrond van een rond luik. Dit intentionele beeld is precies subtiel genoeg om niet afgeschilderd te worden als pretentie.

Cuarón heeft vanaf scène één de ruimte geschetst als decor voor Stones spirituele reis. De ruimte werkt zowel thematisch als visueel bijzonder goed. Ook de spanning in deze film is uitstekend; de actiescènes zijn nagelbijtend spannend. De afwezigheid van sound effects in de ruimte – er is daar nu eenmaal geen geluid hoorbaar – werkt verrassend goed. Wanneer een ruimtestation in gruzelementen uit elkaar spat, gebeurt dit zonder geluid, wat het visuele alleen maar kracht bijzet en de grootsheid van de ruimte onderstreept.

Gravity is een film die zich naast een klassieker als Kubricks 2001: A Space Odyssey mag scharen. Zelden was ik zo onder de indruk van een film, waarbij ik volledig achter de heldin van het verhaal stond en haar aanmoedigde en toejuichte om door te gaan en uiteindelijk te overwinnen. Het visuele aspect is overdonderend (zeker in IMAX 3D!) en Bullock is fenomenaal. De nieuwe standaard is gezet.

zondag 25 augustus 2013

Trance (2013) – 4/10

Trance is de nieuwe film van Danny Boyle, die is doorgebroken met Trainspotting (1996), een succesvol uitstapje heeft gemaakt naar de horror (28 Days Later…, 2002), en later een suikerzoete, door Bollywood geïnspireerde en met Oscars overladen feel good film heeft vervaardigd (Slumdog Millionaire, 2008). Dat Boyle graag films maakt in uiteenlopende genres mag duidelijk zijn. Trance is een mengelmoes geworden van leuke concepten die zo onnodig ingewikkeld uitgewerkt zijn, dat het als kijker lastig wordt om je in te leven en tegen het einde een gevoel van onverschilligheid over de ontknoping oproept.

James McAvoy speelt Simon, die werkzaam is bij een kunstveiling. Een groep criminelen onder leiding van Franck (Vincent Cassel) tracht een peperduur schilderij van Goya te stelen wanneer deze onder de hamer gaat. Simon kan nog net op tijd het schilderij in veiligheid brengen, maar komt bij het verlaten van het pand Franck en zijn handlangers tegen en Simon krijgt een klap op zijn hoofd wanneer hij weigert het schilderij te overhandigen. Als even later blijkt dat Simon het schilderij ergens anders heeft verstopt, komt Franck verhaal halen. Maar wat blijkt? Simon is zijn geheugen kwijt door de klap op zijn hoofd en weet niet waar hij het schilderij heeft gelaten. Er wordt de hulp ingeroepen van hypnotherapeut Elizabeth (Rosario Dawson) om onder hypnose zijn herinneringen omtrent het schilderij op te roepen.

Vanaf dit punt gaat het snel bergafwaarts met de film. Hoe meer we te weten komen over Simon, die nog meer geheimen blijkt te hebben, hoe oninteressanter en ingewikkelder de plot wordt. De film wordt een vormeloze brei van ideeën die er met de haren zijn bijgesleept om de kijker steeds op het verkeerde been te zetten. Het moet de simplistische en naïeve uitwerking van het hoe en waarom maskeren. Trance doet met flarden denken aan David Lynch’ Mulholland Drive (2001), waarbij diep weggestopte herinneringen de motivaties zijn voor de gebeurtenissen die we als kijker te zien krijgen. Waar Lynch in zijn absolute meesterwerk de kijker na de aftiteling nog dagen, weken, maanden, jaren lang laat puzzelen, geeft Boyle aan het einde alles prijs en maakt de film niet meer dan de som der delen.

Niet alleen de plot, maar ook het uiterlijk van Trance is een warboel. De afdeling die verantwoordelijk was voor de kleurcorrectie moet een helse klus hebben gehad. Er is geen balans te vinden in het kleurpalet en er is geen consistentie. Zo neigen de huidskleuren in veel scènes naar een raar soort gele tint. Rosario Dawson geeft zich in deze film helemaal bloot, zonder schaamhaar (ja, dit is onderdeel van de plot!), en dat is dapper. Helaas is Boyle minder dapper en laat zijn interessante opzet ontaarden in een crowd pleaser met veel actie en explosies.

zaterdag 24 augustus 2013

Only God Forgives (2013) – 5.5/10

Only God Forgives is de tweede samenwerking tussen regisseur Nicolas Winding Refn en acteur Ryan Gosling. De film is qua opzet eerder een vervolg op Refns Valhalla Rising (2009) dan op zijn meesterwerk Drive. Waar in Drive (2011) vorm en inhoud perfect samenvielen, is Only God Forgives vooral een stijloefening. De prachtige cinematografie van deze film kan niet ontkend worden, maar het verhaal en de personages voelen leeg aan.

De setting is Bangkok, Thailand. Julian (Gosling) runt thaibokswedstrijden met geld dat hij verdient in de drugshandel. Wanneer zijn gewelddadige broer Billy een prostituee verkracht en bruut vermoordt, krijgt hij te maken met de gepensioneerde politieagent Chang (Vithaya Pansringarm), die criminelen met zijn zwaard vermoordt, dan wel hun handen afhakt; hij is tegelijkertijd rechter en beul. Nadat de vader, en tevens pooier van het meisje, in opdracht van Chang Julian’s broer laat vermoorden, verschijnt de moeder van Julian, Crystal (Kristin Scott Thomas), ten tonele. Na haar eerste scène is meteen duidelijk waarom Julian zo’n stille jongen is. Hij gaat nog steeds gebukt onder het regime van zijn moeder. Tijdens een etentje waarbij Julian zijn ‘vriendin’, de prostituee Mai (Yayaying Rhatha Phongam), aan zijn moeder wil voorstellen, ziet Crystal de kans schoon om haar enige zoon nog eens de grond in te trappen door te zeggen dat Julian in geen enkel opzicht aan zijn broer kan tippen, zelfs niet aan de grootte van zijn penis.

Het verhaal kent vele goede opzetjes, maar deze worden nergens ingelost. Julians relatie met zijn moeder is interessant, maar gaat nergens heen. Ook over de relatie met Mai komen we niets te weten. Dan is er nog Chang, met een voorliefde voor karaoke, die zich als een goddelijk wezen – Refn schuift het niet onder stoelen of banken dat Chang in essentie God is – boven alle andere personages uitstijgt. Dit concept doet denken aan Takashi Miike’s Visitor Q (2001), een gitzwarte komedie waarin een mysterieuze figuur met geweld orde schept in een pervers gezin. De slotscène van de film behelst een prachtige catharsis, die helaas in Only God Forgives uitblijft. Er is bij Refn alleen plaats voor boetedoening en geen vergevensgezindheid – waarschijnlijk alleen door God? Het geeft de film een nihilistisch karakter en werkt niet bevredigend.

Only God Forgives voelt als Refns eigen morbide feestje, waarbij de kijker niet is uitgenodigd en alleen mag kijken naar de pracht en praal. En wat ziet deze film er toch mooi uit. Zelfs de kitscherige karaokebars zijn een lust voor het oog. Componist Cliff Martinez is ook weer van de partij om de soundtrack te voorzien van broeierige elektronische muziek met dit keer plaats voor onheilspellende akkoorden op kerkorgel. Beeld en geluid gaan in deze film hand in hand. Het is te prijzen dat Refn een andere weg is ingeslagen, maar het is te hopen dat Only God Forgives een noodzakelijke misser is in een oeuvre dat zich naast Drive van nog meer meesterwerken mag voorzien.

donderdag 22 augustus 2013

Spring Breakers (2012) – 7.5/10

“Spring break… Spring break forever” gonst het door je hoofd na het zien van Spring Breakers. Het is niet het soort film dat de advertenties je doen geloven. Dit is geenszins een doorsnee Amerikaanse tienerkomedie met flauwe grappen over drank, drugs en seks. Dat is alvast 1-0 voor regisseur Harmony Korine. Hij heeft van het ultieme feest, waar elke schoolgaande Amerikaan het hele jaar naar uitkijkt, een ware koortsdroom gemaakt.

De film opent met beelden in slow motion van feestende, zuipende halfnaakte tieners op een strand, ondersteund met de schreeuwerige muziek van Skrillex. Korine heeft vast gekeken naar Chris Cunninghams clip van Windowlicker (1999), die de gangster rap video parodieert. De clip is sterk, maar weinig subtiel, gezien het grijzende, bebaarde gezicht van Aphex Twin op de dames in bikini. Korines parodie is verfijnder; na het zien van deze eerste scène heb je het gevoel dat er iets niet klopt en dat je niet krijgt wat de posters je hebben beloofd.

Wat je krijgt zijn vier meiden uit een oersaai Amerikaans stadje die de voorjaarsvakantie zien als de ultieme uitvlucht. Faith, Candy, Brit en Cotty (resp. Selena Gomez, Vanessa Hudgens, Ashley Benson en Rachel Korine) leggen al hun geld bij elkaar, maar het is niet genoeg. De meiden overvallen een restaurant (ja, ze zijn vastberaden) en van het geld gaan ze naar Florida, om daar helemaal los te gaan. Het gaat al snel fout wanneer ze worden opgepakt tijdens een uit de hand gelopen feestje in een motel. Ze belanden in de cel en het lijkt uit met de pret. Maar daar is Alien, de lokale drugs- en wapendealer, gespeeld door een geweldige James Franco. Hij betaalt hun borg en neemt de meiden mee op sleeptouw. Alien is het stereotype gangster met zilveren tanden, dollartekens op zijn velgen en een kamer vol met Scarface prullaria. Bovendien is hij ook nog eens rapper.

Faith is de eerste die het niet meer ziet zitten en neemt de bus terug naar huis. Haar zien we niet meer terug. De meiden worden steeds hechter naar Alien toe en andersom raakt hij betoverd van hen. Hun liefde is naïef, maar op een bevreemdende manier ontroerend. Wanneer een schietpartij met rivaal Archie (rapper Gucci Mane) uit de hand loopt en Cotty in haar arm wordt geschoten, verlaat ook zij het toneel. Brit en Candy blijven over, daar zij het meest beïnvloed zijn door Alien en zijn gewelddadige uitspattingen.

Spring Breakers kent geen rechttoe rechtaan narratief, maar leunt meer op sfeerimpressies. Deze worden ondersteund door de ambient muziek op de soundtrack en neonkleuren in het palet. Vooral de slotscène springt eruit qua visuele bravoure, maar ook de scène bij ondergaande zon, waarin Alien achter een piano zit en de meiden met roze bivakmutsen op Britney Spears’ Everytime zingen, al dansend met hun geweren. Het meest angstaanjagend zijn de meiden zonder masker, wanneer ze hun overval van het restaurant naspelen voor de ogen van Faith, die haar beste vriendinnen in monsters ziet veranderen, en weer terug naar giechelende schoolmeiden.

Wie deze film gaat zien als de nieuwste tienerkomedie met Selena Gomez en Vanessa Hudgens komt van een koude kermis thuis. Dit zou weleens Korines aanklacht kunnen zijn tegen ouders, die in deze film compleet afwezig zijn, en andere verantwoordelijken die de jeugd hun gang laat gaan, zonder dat zij boeten voor de consequenties. Je zou Korine kunnen verwijten dat hij iets te veel met zijn vingertje zwaait, maar daar is de film te ambigu voor. Door de impressionistische vertelling, het constant herhalen van sneden dialogen en de dromerige belichting maken Spring Breakers tot een mooie nachtmerrie.

woensdag 21 augustus 2013

Europa Report (2013) – 6.5/10

Low budget en sci-fi: een combinatie die niet vaak garant staat voor goede kwaliteit. Met de komst van het kanaal Syfy wordt de creatie van dit soort b-films in stand gehouden. Gelukkig wordt niet alle low budget sci-fi gefundeerd door dit kanaal en zo nu en dan duikt er eens een verrassing op in de naam van Europa Report. Het probleem van de meeste low budget films in dit genre is dat de kijker al snel door de goedkope effecten heen ziet, en dus meer moeite moet doen om in die bewuste sci-fi wereld opgezogen te worden. Regisseur Sebastián Cordero pakt het slim en minimalistisch aan. Hij laat zijn acteurs vooral begeven in een beperkte ruimte (het ruimteschip) en buit dit ten volste uit, op dezelfde manier als Vincenzo Natali deed in zijn Cube (1997). Door het budget moest Cordero, net als Natali, de acteerprestaties van sommige acteurs maar op de koop toe nemen.

De opzet van de film is eenvoudig. Er wordt gehandeld vanuit een van de meest prangende vragen sinds ons bestaan: zijn wij alleen in het heelal? Sinds bekend werd dat een van de manen van Jupiter, Europa, oceanen met water bevat onder een laag ijs, heeft dit de fantasie van zowel astrofysici (Neil deGrasse Tyson: “I want to go to Europa to go ice fishing.”) als filmmakers. In de nabije toekomst wordt een bemande vlucht, gefinancierd door een privaat bedrijf, naar Europa gezonden om te onderzoeken of daar leven is. Met zo’n lange reis wordt er vrij weinig aandacht besteed aan de onderlinge relaties van de crew, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Danny Boyles Sunshine (2007). Na wat geneuzel in de vorm van interviews met de projectleiders op het aardse front in het eerste halfuur van de film, is er pas ruimte voor de crew in het schip. Cordero heeft getracht realisme toe te voegen door zijn personages à la The Office te laten interviewen, maar dit werkt averechts en wil het verhaal niet op gang helpen. Deze tijd had beter benut kunnen worden voor de ontwikkeling van de personages in het ruimteschip.

We hoeven niet lang te wachten totdat de crew op Europa landt. Ondanks de vervelende start van de film, hebben we hier te maken met oprecht spannende scènes, waarbij Cordero optimaal gebruikt maakt van de claustrofobie van de ruimte. We zijn als kijker net zo nieuwsgierig als de crew naar wat er op Europa is te vinden. De geslaagde realistische sets en special effects dragen allemaal bij aan de beleving van de ruimtevaart als een avontuur. De manier waarop de film is gemonteerd, aan de hand van ‘gevonden beeldmateriaal’, werkt af en toe beperkend, maar wordt nooit echt storend. Helaas rijmt de climax van de film niet helemaal met de realistische opzet en doet afbreuk aan de opgebouwde spanning.

Door het realistische element, met personages die op echte, intelligente mensen lijken die intelligente beslissingen nemen (die je zou verwachten aan boord van een ruimteschip!), en de soms verbluffende shots van de ruimte (en onder water!), biedt Europa Report enige troost na het teleurstellende Prometheus (2012). Vooral Anamaria Marinca, die zich al bewees in de Roemeense nachtmerrie 4 luni, 3 saptamâni si 2 zile (2007), mag genoemd worden voor haar uitstekende acteerprestatie. Houd haar in de gaten!

maandag 13 mei 2013

The Place Beyond the Pines (2012) – 8.5/10

Ryan Gosling weet ze goed uit te zoeken. Zowat elke productie waarin hij te zien is, wordt een succes. Hij werkt ook graag met dezelfde regisseurs. Zo maakte hij al eerder een film met Cianfrance, getiteld Blue Valentine, en hij zet ook zijn samenwerking voort met Refn (Drive) in zijn nieuwe project Only God Forgives. In The Place Beyond the Pines speelt nog zo'n acteur met gouden handjes: Bradley Cooper. Zowel The Hangover als Silver Linings Playbook zijn een groot succes. The Place... is een 140 minuten durend drieluik over vaders en zoons, verantwoordelijkheid, ambitie, spijt, rechtvaardigheid en identiteit.

Het eerste verhaal gaat over Luke (Gosling), een motorrijder die op de kermis zijn stunts laat zien. Hij zit onder de tatoeages, draagt zijn kapotte shirts binnenstebuiten en heeft altijd een sigaret aan z'n lip hangen. Wanneer hij weer na een jaar in het stadje Schenectady arriveert, verschijnt Romina (Eva Mendes) weer in zijn leven en hij komt erachter dat ze een kindje van hem heeft. Ze woont ondertussen samen met een andere man (Mahershala Ali), maar Luke voelt zich toch verantwoordelijk om voor Romina en de baby te zorgen. Hij heeft door dat het werken bij de kermis niet voldoende oplevert. Tijdens een motorritje in de bossen ontmoet hij Robin (Ben Mendelsohn), waarmee hij een vriendschap sluit en hem op het idee brengt om banken te gaan beroven. En dat doet hij totdat hij gepakt wordt door Avery Cross (Bradley Cooper), een jonge agent die net in dienst is.

Na een duizelingwekkende plot-twist die we sinds Psycho niet meer hebben gezien, begint het verhaal van Avery. Hij wordt door de media en zijn collega bestempeld als held, maar hij heeft er duidelijk moeite mee. Wanneer zijn collega's ineens voor de deur staan begint het gedonder. Zij peperen hem in dat hij een held is en hebben iets leuks voor hem in petto. De spanning aan de eettafel is om te snijden, ondanks dat er hard gelachen wordt. Ray Liotta heeft weinig moeite om (weer) in de rol van corrupte agent te kruipen en Rose Byrne speelt hier prachtig genuanceerd als Jennifer, Avery's vrouw. Avery is vastberaden om goed te doen, met het oog op zijn jonge zoontje, en wil het groepje corrupte collega's erbij lappen, met de hulp van zijn vader. Hier zien we een mooie narratieve parallel met de personages Luke en Robin uit het eerste bedrijf. Echter, Avery schopt het verder dan Luke en we zien hem vijftien jaar later als rijke officier van justitie.

Avery's zoon AJ (Emory Cohen) is nu een tiener en een echt rijkeluis zoontje. Hij heeft nooit ergens moeite voor hoeven doen en is de onverschilligheid zelve. Op school ontmoet hij Jason (Dane DeHaan), de zoon van Luke en Romina. De twee raken bevriend en werken zich al snel in de nesten met drugs. Jason worstelt met zijn identiteit en voelt zich niet thuis in het gezin. Hij blijft vragen stellen over zijn biologische vader, maar moeder Romina wil hem niets vertellen. Hij besluit uiteindelijk zelf op onderzoek uit te gaan. Dit derde en laatste bedrijf is de 'mindere' van de drie, maar heeft een realistisch einde, zonder onnodig melodrama. Het is wel genieten geblazen, want de twee jonge acteurs spelen subliem. DeHaan heeft al eerder een getroebleerde tiener gespeeld (Chronicle) en de onbekende Cohen maakt indruk als de onhandelbare zoon in de schaduw van zijn vader.

The Place Beyond the Pines is een knap staaltje werk van regisseur Derek Cianfrance en hij laat zien dat hij zowel het verhaal als zijn acteurs prima onder controle heeft. Hij weet wanneer hij ingetogen moet zijn en wanneer hij voluit moet gaan. De présence van Gosling is hypnotiserend en Cooper maakt weer indruk door zijn veelzijdigheid als acteur. Het verhaal is episch en meeslepend en heeft net die nodige diepgang om zich te onderscheiden van andere misdaaddrama's. Het is nu alleen nog wachten op het daadwerkelijke meesterwerk van Cianfrance.

zaterdag 11 mei 2013

Iron Man 3 (2013) – 7/10

De meest succesvolle Marvel-trilogie is compleet: Iron Man 3 is er in IMAX 3D en is een spektakel van begin tot eind. Eiffel 65's Blue (Da Ba Dee) klinkt over de begintitels; bij de Iron Man-films is er nooit gebrek aan zelfspot geweest. Regisseur Jon Favreau, die ook de trouwe bodyguard Happy Hogan speelt, geeft het stokje na de twee vorige films door aan Shane Black, die eerder al samenwerkte met Robert Downey Jr. aan Kiss Kiss Bang Bang (2005), en vooral bekend is geworden als schrijver van de Lethal Weapon-films. Black heeft dus verstand van actie-komedie.

'RDJ' kruipt natuurlijk weer in de huid van Tony Stark en doet dit nog steeds met zijn natuurlijke charme. Stark is de briljante man die te veel met zijn hobby bezig is en zijn vriendin Pepper Potts (Gwyneth Paltrow) verwaarloost. Je vergeeft het hem, omdat hij toch elke keer weer tot inkeer komt, als een intelligente Homer Simpson. Natuurlijk is er geen superheld zonder schurk. Guy Pearce mag weer eens onder de make-up en speelt Aldrich Killian, een briljante wetenschapper die de uitvinder is van een virus dat ledematen weer terug kan laten groeien. Dan is er nog een schurk, een terrorist, genaamd The Mandarin (Ben Kingsley, die we niet zo Brits meer hebben horen spreken sinds Sexy Beast), die samen met Killian schijnt te werken. Er duikt ook nog een dame op uit Tony's verleden: Maya Hansen, gespeeld door Rebecca Hall, die voor het eerst in een film speelt met een gigantisch budget.

Hoe al deze personages zich tot elkaar verhouden is nu net het aardige aan de film. De plot-twists zijn leuk gevonden en geven de actiefilm net even wat meer spanning. Ook met de humor zit het wel goed. Zowel in de dialogen als in de slapstick. Zo is het metalen pak meerdere keren het doelwit van goed getimede visuele humor. Shane Black geeft de Iron Man-reeks een frisse wind, nadat deze in het tweede deel een beetje ingekakt was. Black weet donders goed dat er geen Iron Man zonder RDJ is, en hij haalt dan ook alles uit de kast om de acteur zo veel mogelijk screen time te geven, waardoor Don Cheadle het dit keer moet doen  met een bijrol als Iron Patriot. Black weet ook als geen ander dat de CGI dik in orde moet zijn. De 985 (!) mensen van het visual effects team mogen een staande ovatie krijgen, want de effecten zijn verbluffend. De rollende aftiteling vult het volledige scherm voor een aantal seconden met alle namen. Ga deze film zien in IMAX 3D zolang het nog kan, met een grote bak popcorn, waardoor deze film helemaal tot zijn recht komt.

dinsdag 7 mei 2013

Jack Reacher (2012) – 5/10

Jack Reacher is inmiddels al de zoveelste egostreling van Tom Cruise, dat het onderhand gênant begint te worden. Hij speelt de titelrol in deze met actie overgoten film. Ja, natuurlijk brengt hij het er zonder al te veel kleerscheuren vanaf! Zijn vorige succes Mission: Impossible - Ghost Protocol was verrassend vermakelijk en had een goede dosis zelfspot en charme. De toon van Jack Reacher is een stuk serieuzer, afgezien van één toonbrekende slapstick sequens met Jack Reacher, een stel slechteriken, een trap en een badkuip. Cruise is de onoverwinnelijke held van de film die elke boef een kopje kleiner maakt.

Heeft Reacher een motivatie voor zijn heldhaftige daden? Natuurlijk. De film opent met een redelijk schokkende sequens van een scherpschutter die ogenschijnlijk willekeurig vijf mensen doodschiet. De verkeerde man, James Barr, wordt opgepakt en dat blijkt een bekende van Jack te zijn. Hij neemt contact op met rechercheur Emerson (David Oyelowo) die het onderzoek leidt en helpt advocate Helen Rodin (Rosamund Pike) om de onschuld van Barr te gaan bewijzen. Dan is er ook nog een Russische gang, onder leiding van 'The Zec' (een beklemmende rol van regisseur Werner Herzog), die Jack uit de weg wil ruimen.

Uiteindelijk komt het erop neer dat de enige vrouw in het verhaal door de Russen gekidnapt wordt. Jack gaat haar redden met de hulp van een ex-marinier, gespeeld door filmveteraan Robert Duvall. De spanning wordt weggenomen, omdat je weet dat Tom Cruise uiteindelijk het meisje gaat redden en alle slechteriken uit de weg ruimt. Daarbij heeft hij niet die mysterieuze, gebroken, ruwe uitstraling van een ex-militair die volgens zijn eigen wetten leeft. Het is voor een actiefilm belangrijk dat de held van het verhaal overtuigend overkomt. Regisseur Christopher McQuarrie en Tom Cruise zullen waarschijnlijk weer samen gaan werken aan Mission: Impossible 5. Wie weet gaan ze nog een stapje verder dan de vorige en wordt het een leuke parodie op de narcistische actieacteur.

maandag 6 mei 2013

The Last Stand (2013) – 4.5/10

Schwarzenegger is sinds 10 jaar weer te zien in een hoofdrol. Tijdens zijn jaren als 'Governator' heeft hij wat geschnabbeld bij wanproducties van en met 'concurrent' Stallone. The Last Stand is het Hollywood-debuut van Koreaan Jee-woon Kim. Toen in het begin van de jaren '00 de Aziatische horrorfilm hoogtijdagen vierde, en Hollywood hopeloos achterliep door deze films te remaken, kwam hij in 2003 met A Tale of Two Sisters; een horrorfilm met een Sixth Sense-achtige twist. Aziatische filmmakers hebben het geprobeerd om hun Aziatische succes nog eens over te doen in Hollywood, zoals de Japanner Hideo Nakata tevergeefs heeft geprobeerd met The Ring Two. Kim komt nu geen horror maken, maar heeft nu de touwtjes in handen bij deze nieuwe actie-komedie. Het genre is hem niet vreemd, blijkens de film The Good, the Bad, the Weird (2008). I Saw the Devil (2010) was een succes, waar Kim een misantropische, cynische kant van zichzelf liet zien, wat een gedurfde, maar tegelijkertijd lelijke film opleverde. Als er gekeken wordt naar de verkoop van de bioscoopkaartjes dan heeft het peperdure The Last Stand maar net de helft van zijn budget van 65 miljoen dollar opgebracht.

De naam Schwarzenegger is door de jaren heen een handelsmerk geworden voor keiharde actiefilms met cheesy oneliners. Arnie speelt sheriff Ray Owens van Sommerton Junction in de woestijn van Arizona, net langs de Mexicaanse grens. De ligging van het gat is uiteraard van belang voor de plot. Drugsbaron Cortez (Eduardo Noriega) ontsnapt tijdens een overplaatsing naar een andere gevangenis (hoe krijg je anders een gevaarlijke crimineel weer op de voet?) en wil met zijn opgevoerde Corvette de grens over, natuurlijk door het plaatsje waar de sheriff nèt een dagje met verlof is. Zijn deputy's zijn een zooitje ongeregeld, met een typecast van Luis Guzmán. Ondertussen heeft de FBI onder leiding van agent John Bannister (Forrest Whitaker) een klopjacht op de voortvluchtige georganiseerd. Bij een afleidingsmanoeuvre van Cortez, waarbij hij zijn handlangers in oranje pakken laat rondrennen, zodat hij zelf in zijn oranje gevangenispak kan ontsnappen, vangt de FBI een man met een KNVB-jack; ook Kim schijnt Guus Hiddink nog steeds niet te zijn vergeten.

Een goede actie-komedie staat of valt bij een goede samensmelting van de twee genres. Deze film weet niet goed wat hij moet zijn. Er zit genoeg actie in, maar de komedie is niet goed doordacht. Het is niet dat het tenenkrommend is, maar erg grappig wordt het nooit. Het zorgt ervoor dat de film op beide vlakken uit de toon valt. Zo is de komedie tijdens de keiharde actie erg misplaatst en krijgt het rauwe geweld een exploitatieve ondertoon. Daarbij lijken de scenes met de FBI enerzijds en de scenes in Summerton anderzijds in twee verschillende universa te bestaan. Kim krijgt het maar niet gerijmd. Daarbij acteert Schwarzenegger op zijn houterigst en ziet er vermoeid uit. Jackass Johnny Knoxville toont zich een volwassen acteur, maar zijn rol is gebaseerd op matige slapstick en voegt weinig toe.

Doordat er zo vaak wordt gewisseld van toon, vormt de film een onsamenhangend geheel van matige komedie, houterige actie en een oersaaie ontknoping. "You make us immigrants look bad," zegt de sheriff tegen de Mexicaanse drugsbaron tijdens hun eindgevecht. Verwijst Schwarzenegger hier naar zijn eigen oorsprong als Oostenrijker? 'Ray Owens' is nu niet echt de meest vreemde naam. 'Misplaatst' is hier het sleutelwoord: Kim en Hollywood gaan niet samen, Knoxville is nutteloos en Whitaker is van een zwaarder kaliber dan de rest van de acteurs. De film mist de charme en het plezier van een echte actie-komedie. Kijk nog maar eens naar Lethal Weapon en je begrijpt wat ik bedoel.

woensdag 17 april 2013

Deerhunter - Monomania (2013) – 8/10

Het distortion pedaal wordt gretig ingetrapt op Monomania (4AD, 2013). De noise geeft de zang van Bradford Cox een scherpe rand op elk nummer van Deerhunters nieuwe album. De muziek is duidelijk beïnvloed door de garage- en bluesrock en is een paar stappen verwijderd van de ingetogen, onbevangen en dromerige voorganger Halcyon Digest (4AD, 2010). Het is toch weer duidelijk Cox' kindje en dat is prima, want de man heeft genoeg inspiratie; zijn monomanie schijnt een grote rol bij het schrijven van dit album te hebben gespeeld.

Het meest verknipte nummer is misschien wel Dream Captain (een woordspeling op team captain?). Cox fantaseert dat hij een arme jongen is die door een kapitein onder zijn hoede wordt genomen aan boord van een schip. Hij zingt: "I'm a poor boy from a poor family," dat misschien een verwijzing naar Bohemian Rhapsody kan zijn, maar zeker weten doe je het nooit. Het nummer is homo-romantisch ("I'm a boy-man, and you're a man-man!"), catchy en melig, maar is, net als de rest van Deerhunters muziek, altijd oprecht. Ook Pensacola is een heerlijk bluesrock nummer met in het eerste couplet "Take me wherever you go and I won't complain along the way". Het heeft iets naïefs en avontuurlijks van een jonge man op reis, vluchtend van zijn wereld, en iets vertederends ("I could be your boyfriend or I could be your shade"). De tweekwartsmaat zorgt voor het hakkende tempo en door de scheurende gitaren wordt het geheel niet te zoetsappig.

The Missing is het meest 'indie' nummer van de plaat en is dromerig. Het is het enige nummer op het album dat door gitarist Lockett Pundt wordt gezongen. De gitaarpartij op het eind is eenvoudig, maar melancholisch en doeltreffend. Het zijn steeds deze simpele vondsten die Deerhunter net niet uit de bocht doen laten vliegen in hun experimenten. Ze weten een perfecte balans te creëren tussen het maken van conventionele, degelijke songs en het experimenteren met verschillende genres. Sleepwalking is hier nog zo'n mooi voorbeeld van, waarbij de band conventies toepast, maar deze zo goed onder de knie heeft, dat je niks anders kan dan er gelukkig van worden. "Can't you see, your heart is hard now / Can't you see we're growing apart now" klinkt als een standaard tekst, maar is nu net de climax van het nummer en heerlijk aanstekelijk.

Het titelnummer Monomania is noiserock van het puurste soort. De distortion staat vol open en het rockt als een gek. "Monomonomania, monomonomania" blijft Cox herhalen als een bezetene, terwijl het nummer volledig ontaardt in het gekraak en gepiep van de feedback om te eindigen in het ratelende geluid van een brommer. Het is niet het meest geslaagde nummer, maar zorgt wel voor contrast ten opzichte van de rest.

Het nieuwe project van Deerhunter is bijzonder geslaagd en de band weet hun eindeloze inspiratie goed vorm te geven in sterke songs die niet alleen catchy zijn, maar ook genre-ontstijgend. De band stelt stiekem toch een heel arsenaal aan stijlen ten toon en weet nergens op het album te vervelen. Ze zijn bijzonder vaardig in het hanteren van conventionele songstructuren en daar hun eigen geluid aan toe te voegen. Maar het is vooral de openhartigheid en het plezier bij het maken van muziek dat deze plaat zo sterk maakt.

dinsdag 16 april 2013

Bonobo - The North Borders (2013) – 6/10

Bonobo (Simon Green) is een sterke speler uit het team van Ninja Tune. Sinds 2003 is hij al bij het label aangesloten, maar hij maakte in 2010 pas echt naam met zijn album Black Sands (Ninja Tune, 2010) en verwierf daarmee (terecht) zijn roem. Het album wist te verrassen door de jazz-invloeden en de gelaagde, smetteloze productie. Op de productie valt op The North Borders (Ninja Tune, 2013) weer weinig aan te merken, maar Bonobo speelt dit keer op safe. Het concept is hetzelfde: fijne, loungy downtempo tracks met af en toe een gastzanger(es). De verrassingen en de inventiviteit blijven helaas achterwege.

Het album begint met First Fires met zanger Grey Reverend. Bonobo weet zijn zangers goed uit te kiezen, want zijn stem, hoewel niet bijzonder, past perfect bij het rustige tempo en de dromerige sfeer van het nummer. De diepe bas komt je tegemoet, waar verschillende fladderende synths en een viool overheen klinken. Jammer is wel dat door de vele lagen in de muziek er gekozen is voor een net iets te hoge compressie ten gunste van de kickdrum, wat een erg zuigend effect creëert. Gelukkig is dit op de rest van het album minder het geval. De tweede track, Emkay, is meer uptempo en bevat ook vocalen, maar ze zijn abstracte flarden van zinnen à la Burial. Op de achtergrond is zachtjes een saxofoon te horen. De beat is helaas te statisch om het echt jazzy te noemen. Cirrus is de eerste instrumentale track en heeft een kick op elke tel van de vierkwartsmaat en heeft meer house-invloeden. De melodie komt van een marimba en enkele bellen, maar weet nergens te overtuigen en raakt al gauw in de vergetelheid.

Grammy-winnares Erykah Badu zingt op Heaven For The Sinner en is daarmee de belangrijkste toevoeging aan het album. Haar zang smelt samen met het volle geluid van (alweer) violen en warme synths. Het nummer mist echter een goed refrein, waardoor het nergens heengaat. Dit is een beetje de tendens van het hele album; de muziek kabbelt maar voort en er is nergens een hoogtepunt te ontdekken. De instrumentale tracks hebben te weinig om het lijf en hebben meer weg van vocal tracks zonder vocals; ze missen een eigenheid binnen het album. Ook de strakke housebeats van Don't Wait en Antenna dragen niet veel bij aan de originaliteit en hebben veel weg van de stijl van Scuba op zijn laatste album Personality (Hotflush, 2012). Het doet je erg verlangen naar de syncopische, jazzy drums en het algehele opgewekte geluid van Black Sands. 

Eerlijkheidshalve moet ik bekennen dat luisteren naar Bonobo op automatische piloot geen straf is. The North Borders is prima geschikt voor als je ouders op bezoek komen of voor die zwoele zomeravond met je vrienden in de tuin. Vrijblijvend, geen verrassingen, maar toch een aardig plaatje.

zaterdag 13 april 2013

The Knife - Shaking The Habitual (2013) – 6.5/10

De hoes van Shaking The Habitual springt meteen in het oog door de felle contrasten en het minimalistische design; een stuk anders dan de voorganger Silent Shout. Ook schrijven ze "The Kniφe", met de Griekse letter Phi – edgy! Niet alleen het artwork verschilt, want muzikaal zijn broer en zus Dreijer ook een andere weg ingeslagen. De muziek is uitgesmeerd over twee cd's of drie lp's. Op de achterkant van de hoes staat een aantal tracks die zo rond de 10 minuten duren (zelfs een van 19 minuten!). Als we niet beter wisten, dan hadden we hier te maken met een typisch gevalletje pretentie. Dit is slechts deels waar.

Opener A Tooth For An Eye steekt van wal met gelaagde percussie, waarbij een strakke beat, die we gewend waren van Silent Shout, afwezig blijft. De zang van Karin Dreijer is er een die onlosmakelijk verbonden is met het geluid van The Knife. Ze klinkt hier zelfs nu nog rustelozer dan voorheen. Dit wordt nog eens versterkt door de maat in 6/8. Dit is een geweldige eerste track met een nieuw geluid. Het algemene geluid van Shaking is veelal distorted, waarbij de voorganger vooral heel klinisch geproduceerd was. Het is tijd voor een statement, want we leven in een economische crisis! Aha! Vandaar dus die gierig uitziende man op de hoes met dat geld in zijn hand.

Full Of Fire, de tweede track, is een stuk strakker, met een heerlijke distortion op de baslijn, maar de lange track ontaardt helaas in vervelende synth-geluidjes, die je de volumeknop een stuk omlaag laten draaien. A Cherry On Top is de eerste ambient track. De klanken van de snaarinstrumenten klinken verontrustend over de electronische drones. Dit is dan meteen ook de meest geslaagde 'experimentele' track. Without You My Life Would Be Boring is weer percussie-georiënteerd en heeft het herkenbare nasale stemgeluid van Karin. Opvallend is de fluitachtige synthesizer. Wrap Your Arms Around Me is een undustrial klinkende ballad met ingehouden zang, sfeervol, maar doet vrij weinig. Na een korte 55 seconden van onnodig irritant gepiep en gekraak, Crake, is daar dan de overlange afsluiter van de eerste cd: het 19 minuten en 2 seconden durende Old Dreams Waiting To Be Realized. De track heeft iets weg van de drones van Natural Snow Buildings, maar is oersaai en kent geen spanningsbogen. Met maken van drones is niet The Knife's sterkste kant. Het wordt zo heel verleidelijk om de cd vóór Crake af te zetten en cd 2 uit de hoes te halen.

De tweede cd begint met Raging Lung, zwaar leunend op tribal-achtige drums. De ballad heeft een refrein dat fijn in het gehoor ligt, wat op dit album schaars is. De tweede helft van de track maakt plaats voor industriële geluiden over de lopende drumbeat. De geluiden doen denken aan de soundtrack van vroege David Lynch films. Networking heeft een acid beat, maar mist een fijne baslijn en is weer doorspekt met vervelende, atonale analoge geluiden. Helaas gaat ook hier de volumeknop weer even naar beneden. De meest noemenswaardige track van de tweede cd en de meest geslaagde van het album is Stay Out Here, een ruim 10 minuten durende track met twee gastzangeressen: Shannon Funchess (Light Asylum) en Emily Roysdon. De 4/4 acid beat is de basis van het nummer waarover een vernuftig ontworpen distorted industrial synthesizer klinkt die improviserend gemoduleerd wordt tijdens de duur van de track. De bijdrage van de zangeressen geven het nummer meer diepgang en de nodige afwisseling. Ze klinken allen verontrustend en paranoïde. Er wordt naar een climax gewerkt waarbij de synth voor de aanleiding zorgt en de zangeressen het afmaken met hun stemkunsten. De cd kan na deze track weer worden afgezet, want de snerpende geluiden met getimede delay van Fracking Fluid Injection werken op de zenuwen en Ready To Lose is een track met een shuffle beat die niet veel meer te bieden heeft na deze enorme lange luisterbeurt.

Shaking The Habitual is een album met enkele hoogtepunten en een aantal dieptepunten. De lange, saaie ambient tracks eisen te veel aandacht op en voelen aan als vulmateriaal. De klinische, beheerste sound van Silent Shout is verdwenen, waarmee The Knife ook de balans tussen originaliteit en degelijke nummers verliest. Op Shaking gaan alle remmen los en halen broer en zus Dreijer alles uit de kast wat ze na al die jaren op de plank hebben laten liggen. De ideeën zijn aardig, maar dragen niet bij aan een coherent geheel. Uit noodzaak is al het materiaal over 2 cd's verdeeld, wat ze afzonderlijk geen eigen identiteit meegeeft. Het project is dapper, en wellicht noodzakelijk voor henzelf, maar het eindproduct is te versnipperd. The Knife heeft gekozen voor een benadering waarbij muzikaal alles mogelijk is. Hun ambigue statement over de hedendaagse economie en muziek in het algemeen is op deze manier niet gestructureerd en verliest zo de urgentie.

maandag 28 januari 2013

Bad Religion - True North (2013) – 7.5/10

De eerste seconden van het eerste en tevens titelnummer van True North klinken zo herkenbaar dat je je misschien even vergist. De productie van dit album grijpt terug naar de vroegere perioden van Bad Religion. De mix is clean met alleen gitaren, drums en zang, en geen toeters en bellen. Om eerlijk te zijn zit er één toetertje ("Dharma and the Bomb") en één belletje in ("Fuck You"). Voor de rest is het onvervalste punkrock van het meest catchy soort. De heren zijn al sinds het begin van de jaren '80 bezig en om de twee à drie jaar komen ze trouw met een album op de proppen. Als je als band al zestien albums op je naam hebt staan, zitten er uiteraard weleens een paar missers tussen. True North komt nu toch wel ècht dichtbij hun oude sound van Against the Grain (Epitaph, 1990) en Generator (Epitaph, 1992). Nog meer zelfs dan hun 'comeback' The Process of Belief (Epitaph, 2002), toen ze, na wat middelmatige albums bij Atlantic, weer terugkwamen bij hun label Epitaph van oprichter en gitarist Mr. Brett, die voor het eerst in zijn carrière een nummertje op een album zingt ("Dharma and the Bomb").

Hoewel de terugkomst van Mr. Brett in 2002 de band weer wat energie heeft gegeven, na volledig ingekakt te zijn op No Substance (Atlantic, 1998) en The New America (Atlantic, 2000), is het Greg Graffin die de band volledig maakt. Zijn zang is herkenbaar uit duizenden. Al sinds hun echte doorbraak met hun derde album Suffer (Epitaph, 1988), klinkt hij al als een oude wijze man met rauwe stem die in dichtvorm preekt over alles wat er mis is in de wereld. In het nummer "I Am a Huge Fan of Bad Religion" van NOFX zingt Fat Mike I bought Suffer then I bought a thesaurus, om maar even aan te geven wat een enorme woordenschat Graffin tot zijn beschikking heeft. Het kon ook niet anders dat hij nog eens professor zou worden; naast zanger heeft hij ook een Ph.D. in zoölogie en geeft hij les aan de UCLA. Het mag duidelijk zijn dat hij de evolutietheorie verkiest boven het creationisme, blijkens de naam van de band en hun logo. Dit zijn dan ook de meest radicale elementen van de band. Bad Religion is nooit echt 'hardcore' geweest en dat is al jaren hun kracht. Ze hebben namelijk de perfecte combinatie van catchy punkrock met intelligente teksten gevonden.

Met een album dat LP-vriendelijkerwijs 35 minuten duurt en maar een nummer langer dan 3 minuten heeft, is True North ook qua vorm weer lekker ouderwets. De nummers zijn snel, heerlijk snel, en laten zien dat de heren nog lang niet ingedut zijn. Het 1 minuut durende "Vanity" is zo'n voorbeeld, evenals de klapper van het album "Nothing to Dismay" die je voorlopig niet uit je kop krijgt (No, no, no security / Nothing to dismay!). Wanneer een Bad Religion nummer een banale titel heeft als "Fuck You", dan schuilt daar meer achter. Het is geen scheldtirade, maar gaat over het feit dat je af en toe weleens lekker onverantwoord op iemand mag schelden als dat nodig is. De echte hardrock-achtige nummers zijn bijna afwezig, afgezien van "Dharma and the Bomb", de vreemde, maar lekkere eend in de bijt, en "Hello Cruel World", de ballad van het album. De rest zijn kort maar krachtige, recht-voor-z'n-raap punkrocknummers. Dit album combineert alle fijne elementen (ja, zelfs die van hun Atlantic-periode) uit hun carrière en wat mij betreft had dit hun 30-jarige jubileum-album moeten zijn, in plaats van het twijfelachtige The Dissent of Man (Epitaph, 2010). Dit zou wel een mooie afsluiter van hun carrière kunnen zijn, mochten de heren erover denken op te houden.

maandag 7 januari 2013

Burial - Truant (2012) – 8/10

Geknisper, gekraak, getik, gerommel, gekras, gekling, geklang en flarden zang; Burial komt weer met nieuwe muziek. En hoe! Na zijn echte doorbrak met zijn tweede album Untrue is het steeds bergopwaarts gegaan voor William Bevan (als dat immers zijn echte naam is – er hangt altijd veel geheimzinnigheid rond Burial). Een nieuw album laat lang op zich wachten, maar hij is nu al toe aan zijn derde EP, genaamd Truant, en blijft wederom weer trouw aan het label Hyperdub van Kode9. Deze drie 'zoethoudertjes' staan prima op zichzelf en Truant is daarop geen uitzondering.

Met Truant geeft Burial weer een stukje meer prijs, maar laat de luisteraar wederom gissen naar zijn identiteit. Was hij een spijbelaar (truant)? Is hij nog steeds opstandig en heeft hij maling aan de gevestigde orde? Misschien vertelt hij wel een van de duizenden sombere verhalen uit Londen. Als je naar de muziek van Burial luistert, hoor en voel je de somberheid en de duisternis van de Engelse hoofdstad. Alsof je met je gezicht op het grauwe asfalt ligt en Burial je de schoonheid ervan toont. Op de nieuwe EP staan twee van die ruwe diamanten: de titeltrack en Rough Sleeper, elk ver boven de 10 minuten durend. Burial maakt niet echt 'liedjes' meer, maar meer lang uitgesponnen werken, waar de nadruk nog meer op de sfeer ligt dan voorheen.

De basis van Burial is nog steeds die van de garage en house en de gruizigheid is wederom veelvuldig aanwezig, met flarden van zang die contrasteren met de korreligheid van de rest van de muziek. De tekst "I fell in love with you" van het titelnummer zou in elke andere context banaal overkomen, maar bij Burial klinkt het oprecht en gestript van elke suikerlaag. De bas speelt een prominente rol in deze track en het is werkelijk heerlijk wanneer deze halverwege dieper gaat dan je had durven hopen.

De twee tracks zijn als taxiritten in de nacht door de achterwijken van Londen; je krijgt maar een vlaag mee van wat er gebeurt en heeft alles behalve een climax. De tracks zijn versnipperd in hun interne samenhang, maar geven je in ruil daarvoor verrassingen en impressies. Zo klinkt er in Rough Sleeper het geluid van een saxofoon, een instrument dat nooit eerder te horen was in het oeuvre van Burial. Het mooie van Burial is, is dat hij als geen ander zijn huisstijl weet te bewaren en toch nog ruimte over te laten voor vernieuwing. De tweede track is de melodieuze verrassing van de twee en klinkt melancholisch. De melodie is eenvoudig, maar zeer geslaagd en dat draagt bij aan de charme van Burial. Zo geeft vooral deze laatste track niet meteen alle geheimen prijs en bij de derde luisterbeurt besef je weer dat Burial de enige in zijn soort is.